Zonder papieren
27 april 2009
De buitenlander dus buitenstaander wacht en wacht
in de hal van het stadhuis totdat hij aan de beurt is.
Hij wacht al uren op een ambtenaar.
Hij wacht al jaren op geluk.
Hij loopt naar het loket en vraagt het recht aan
om te mogen verblijven in de staat
waar hij leeft in een niemandsland
waar niemand hem mag kennen als iemand die er niet mag zijn.
Volgens de dienstkloppers van de staat heeft de vreemdeling geen identiteit,
want hij heeft geen identiteitspapieren.
En omdat hij geen identiteit heeft,
kan hij niet worden uitgezet naar de oorlog en armoede
die hij was ontvlucht
en omdat hij geen papieren heeft,
kan hij niet bewijzen wie hij is
en omdat hij niet kan bewijzen wie hij is,
krijgt hij geen bewijs van de ambassade van zijn land van herkomst
dat hij is wie hij is
en geeft men hem ook geen bewijs
dat hij niet is wie hij stelt te zijn.
De ambassade wil schriftelijk zelfs niet eens verklaren
dat men niet weet wie hij is,
omdat men niet zeker weet dat men zeker weet
dat men niet weet wie hij is.
En dus blijft hij en verblijft hij maar zonder papieren
in het land met de papierwinkel,
tussen wal en schip,
tussen vrees en wanhoop,
tussen de muren van de bajes of van het gekkenhuis,
de enige twee plekken in het land
waar schaduwen en schimmen als hij nog onderdak en eten kunnen krijgen.
Drie fragmenten uit het gedicht Zonder papieren in de papierwinkel, Harry Westerink in Dwarsligger; De Fabel van de illegaal; maart/april 2005
Reageer | 


